Vlaamse Vereniging tot Behoud van Historische Vaartuigen


HOME

Schepen

Nieuws

Agenda

Contact

Links

Lid worden

email
ANNA

Type : Opduwer

Werf : onbekend (NL

Bouwjaar : 1932

Gebruik : duwen van vrachtschepen

Afmetingen :5x1.8x0.8m

Motor : 1 cil ABC BMZ van 11 pk bij 600 t/min

Materiaal : Staal

Ligplaats : Neeroeteren


Het schip is vermoedelijk in 1932 gebouwd op een onbekende werf.De motor is de nog eerste origineel ingebouwde motor, een 1 cilinder tweetakt diesel van het merk ABC(uit Gent), type 1BMZ van 11 pk bij 650t/min, serienummer 3957 met aangebouwde mechanische GLAN keerkoppeling.
Het bootje werd in juni 2001 door Dhr van der Zee uit Dintelsas (NL) gekocht in een schuur, het bootje heette toen 'FIAT', verdere geschiedenis is onbekend. Het schip kwam in mijn handen in oktober 2002. Haar werkend bestaan in de jaren 30 is zoals gebruikelijk de voorstuwing van een niet gemotoriseerd vrachtschip. In een later stadium is het schip waarschijnlijk als een kleine sleepboot gebruikt.
De opduwer werd helemaal ontdaan van alle dubbelingen en weer gerestaureerd naar originele staat. De motor, die bij aankoop vast zat , werd door Cees van Dijk uit Utrecht(NL) terug in orde gebracht.



De opduwer

Wat en waarom

Een opduwer, of ook wel opdrukker genoemd, is een klein motorscheepje met een lengte tussen ruwweg vier en zeven meter. Deze bootjes zijn ontstaan aan het eind van de jaren '20. Ze werden veel gebruikt in de overgang van zeil- naar motorvaart. Aan de motorisatie van zeilschepen was veel nadelen verbonden. Op een motorschip moest meer tol betaald worden dan op een zeilschip. En aangezien een zeilschip met opduwer nog steeds beschouwd werd als een zeilschip, was dit voor veel schippers de ideale oplossing. Zo konden ze de concurrentie met de gemotoriseerde vrachtschepen blijven aangaan, en tegelijk de helft op het tolgeld besparen. Bovendien waren er beperkingen op de maximale lengte en breedte van de vrachtschepen. Deze beperkingen hadden opnieuw geen betrekking op zeilschepen met opduwer. Een opduwer had nog meer voordelen: er werd woon- en/of vrachtruimte gespaard in het schip zelf en je had binnen geen last van het lawaai of de trillingen van de motor. Ook lag het schroefrendement van de opduwer over het algemeen hoger dan dat van het geduwde schip, omdat de opduwer een beter geveegde kont had dan het zeilschip. Het schoonmaken van de schroef was veel eenvoudiger, en als zich ernstigere problemen voordeden kon de kont van de opduwer simpelweg uit het water gehaald worden met de ankerlier. Natuurlijk was zo'n klein motorbootje ook altijd handig als je even boodschappen wilde gaan doen, want de winkels lagen niet altijd even dicht bij de boot. Daar kwam nog bij dat de opduwer weinig brandstof verbruikte, en dus over de gehele lijn voordelig was dan een ingebouwde motor.

Waar en hoe

Opduwers werden in de jaren '30 veel gebruikt op de Nederlandse en Belgische binnenwateren, maar ook (zij het dan in mindere mate) in Duitsland, Frankrijk en zelfs in Ierland kende men het kleine bootje. De opgang van de opduwer werd echter wat afgeremd door de economische crisis van de jaren '30 en later volgde de oorlogsjaren '40-'45, waardoor de nieuwbouw nagenoeg stillag en men moest proberen zijn brood te verdienen met oudere en kleinere vrachtboten. Aanvankelijk bestonden er nog geen opduwers, en gebruikte men vaak vletten, visbootjes of parlevinkers. Deze werden van een motortje, schroef en stuurinrichting voorzien, en op die manier had men een eenvoudig en onafhankelijk voortstuwingssysteem als zeilen onmogelijk was. Later werden dan de "echte" opduwers gebouwd. De opduwer duwde dus het achterschip voort, meestal aan bakboordzijde naast het roer. Vaak werd er een veer geplaatst tussen het schip en de opduwer om eventuele schokken te dempen. Als er aangelegd, vertraagd of gestopt moest worden, sprong een bemanningslid in de opduwer en volgde de aanwijzingen van de schipper op. Soms gebeurde dit ook wel vanaf het achterschip met lijntjes. Ook is bekend dat sommige schepen uitgerust waren met een soort vork aan het roer, waar de opduwer zijn neus in stak en zo de bewegingen van het roer kon volgen. Veel mensen zullen zich misschien nog afvragen: waarom duwen als je net zo goed kan slepen? Er werd met zo'n opduwer ook wel gesleept, maar dan enkel in ondieper water, als er minder water staat tussen de romp van de boot en de bodem. Als je duwt, trekt de opduwer namelijk het water onder de romp vandaan, wat niet zo praktisch is als er al maar weinig water staat. Bij trekken duwt de schroef van het opduwertje het water onder het schip door, wat zorgt voor meer water onder de romp, en dus een snellere voortgang. Meestal bleek duwen echter de handigste methode, omdat de twee vaartuigen dan werkten als een geheel. Als het opduwertje achter het schip gebonden was, had je er bovendien geen bemanning bij nodig, en kon de schipper zijn werk dus ook alleen doen.

Bouw

1. Algemeen
De bouw van opduwertjes was gelijkaardig aan die van andere kleine scheepjes uit dezelfde periode. Tekeningen werden niet of nauwelijks gebruikt. Van de geslaagde modellen werden wel maten en mallen genomen, met de bedoeling deze later opnieuw te kunnen gebruiken. Er zijn echter meestal kleine verschillen, soms ook grotere. Geen twee opduwers zijn hetzelfde gebouwd. Over het algemeen werden opduwers wat steviger gebouwd dan gelijkaardige scheepjes, vooral wat betreft de fundatie van de motor, de het schroefassysteem en het schroefraam. Een opduwer is niet licht; het gewicht varieert tussen de één en drie ton of meer. Opduwers werden meestal vervaardigd uit staalplaten met een dikte tussen de drie en de vier mm. De bootjes die lichter gebouwd zijn komen vaak van de kleinere werfjes en bij deze bootjes vallen de klinknagels ook vaak kleiner uit dan gewoonlijk. De grotere werven gebruikten namelijk vaak afvalmateriaal van grotere schepen om de kleinere scheepjes uit te bouwen. Ook de afwerking was op de grotere werven vaak wat ruwer. Tot in de jaren '50 werden de meeste opduwers geklonken. Na de Tweede Wereldoorlog vond je naast bootjes met enkel klinknagels op de spanten en de rest gelast, ook al volledig gelaste casco's. De berghouten waren meestal volle halfronden. Een enkele werd ook wel gemaakt uit platen die men halfrond sloeg, deze berghouten waren dus hol. Op het achterdek stond soms wel een sleepboogje, maar meestal stond de bolder op het achterdek te ver naar achteren geplaatst om er echt mee te kunnen slepen. Rond de kuip werden soms haken geplaatst om een zeiltje te kunnen bevestigen. Zo beschermde men de kuip tegen de niet altijd even gunstige weersomstandigheden. Het roefje deed dienst als machinekamer en kon al dan niet voorzien zijn van een kap of luik om de motor te kunnen aanslingeren. Op de opbouw werden handvaten of kleine relingen geplaatst. De achterwand van de machinekamer was meestal demontabel en ook het dakje of luik kon men er af halen, dit om werkzaamheden aan de motor mogelijk te maken. Enkele lichtranden aan de zijkant van de opbouw zorgden voor de nodige lichtinval. Rond de schroefas werd vaak cement gegoten voor de stevigheid, en ook wel om de trekkracht te bevorderen. Als dit werk door een vakman werd uitgevoerd, bleef het staal onder het cement vaak in betere conditie dan dat erboven.

2. Werven
Veel werven, vooral in Noord-Nederland hielden zich bezig met de bouw van opduwers, meestal als nevenactiviteit naast de bouw van grotere schepen. Daarnaast bestonden er veel kleine bedrijfjes die opduwers gebouwd hebben, en ook enkele schippers. 3. Rompvormen De vroegere gemotoriseerde bijbootjes bestonden zowel in hout als in staal. Geleidelijk aan ging men over tot het bouwen van opduwers zoals wij die nu kennen. Eerst worden er in de "roeibootjes" dekjes, gangboorden, bolders en later ook roefjes aangebracht. Rond 1925 ontstond het sleepbootmodel, dat nog steeds erg in trek is ondanks enkele nadelen. Zo komt het bouwen van dit model duurder uit en de platen zijn vooral achteraan minder dik door het uithameren van de rondingen. Het sleepbootmodel werd vooral gebruikt op de binnenwateren en kanalen en was minder geschikt om te varen op de grote wateren omdat hij met zijn kop onder de golven duwt. De tweede grote categorie is het vletmodel. De vlet werd vooral gebruikt op en rond de grote wateren, vooral in de noordelijke provincies. Op groot water, zoals bijvoorbeeld het IJsselmeer, werd natuurlijk gewoon gezeild. De opduwer hing dan gewoon achter het schip gebonden, en het vletmodel danste gewoon over de golven. Naast deze twee groepen ontstonden vele varianten, en het aantal variaties wordt nog groter doordat ze zowel in open als gesloten vorm voorkwamen. Open betekent met dekjes en gangboorden, het stuurwiel staat tegen de achter- of zijwand van de kuip en onder het voordek is er een schot met deurtje als bergruimte. Gesloten wil zeggen dat het voorste gedeelte van de kuip overdekt is, waardoor een machinekamertje ontstaat, in het dak is er een luik om de motor te kunnen aanslingeren en soms is er ook een machinekamerkoepeltje aangebracht. Het schoorsteentje is vaak afneembaar.

De machinekamer en aanverwanten

1. Algemeen
Meestal werden de opduwers als leeg casco afgeleverd aan de schippers, die dan naar eigen wensen een motor konden (laten) inbouwen. De motoren varieerden tussen 6 pk en, naar het einde toe, 100 pk of meer. De schippers verkozen vaak een motor met het vliegwiel aan de achterkant, zodanig dat als de schroef vastliep er minder schade werd opgelopen. Als de motor versleten was, werd ze omgeruild voor een andere op de autosloop. Soms was de motor al te oud om te ruilen, en kwam ze in het water terecht. De milieunormen waren toen natuurlijk nog niet zo streng, en de meeste mensen zaten er maar weinig mee in.

2. Soorten motoren
Gedurende de hele opduwer-periode werden automotoren als aandrijfkracht gebruikt. Deze vielen immers een pak goedkoper uit. In het begin waren het benzinemotoren met alles erop en eraan, zo uit de auto gehaald. Later werden de benzinemotoren aangepast en liepen ze ook op petroleum, wat voordeliger was. Naast benzinemotoren kwamen ook vele dieselmotoren in opduwers terecht, en daarnaast ook veel stationaire motoren. In het begin waren dit vooral gloeikoppen, maar naderhand vooral tweetakt en viertaktmotoren. Meestal was een startmotor niet nodig, omdat de motoren zich perfect lieten aanzwengelen. Soms werden ze ook luchtgestart. Veel gebruikte merken in opduwers zijn o.a.: Ford, Lister, Deutz, Kromhout en Brons. Als de motoren vervangen werden, werd de nieuwe fundatie vaak gewoon bovenop de oude gezet, waardoor je soms aan de resten nog kan zien welke motoren er in gestaan hebben. De uitlaten konden zowel achteraan als aan de zijkant staan, zodat het scheepje onder bruggen doorkon en er dus geen of minder bruggeld betaald moest worden. Soms gebruikte men een schoorsteenpijpje als uitlaat en dat was dan om voorgaande reden afneembaar.

3. Keerkoppelingen
De keerkoppelingen stonden achter de motor en werden door middel van een stoothendel in de kuip bediend. De aandrijving was meestal direct, soms ook indirect via een ketting of V-snaar vanwege het hoogteverschil. Veel gebruikte merken waren o.a.: Brevo, Rijsdijk en Nixe.

4. Besturing
Meestal waren opduwers zeer gemakkelijk te besturen. De eerste generatie opduwers had gewoon een roer met een helmstok. Later werden het doorgestoken roeren met een overbrenging naar een kwadrant, of een stuurwiel tegen de wand van de kuip. Bij open vletten zat het stuurwerk tegen de zijkant van de kuip. De eerste stuurwieltjes in opduwers kwamen, net zoals de motoren, uit auto's. Het roer werd gemaakt uit een enkele plaat. Vaak werd het uitslaan van het roer beperkt door een ketting tussen het roer en de kont van het schip te bevestigen. Zo liep men minder kans de schroef te beschadigen.

Varen met een opduwer

Vaak valt de motor te zwaar uit voor het casco, wat een diepere ligging met zich meebrengt. Hierdoor kan varen op ruwer water riskant worden. Als de opduwer te hoog op het water ligt, moet men zorgvuldig ballasten om te voorkomen dat de schroef zichzelf vacuüm trekt en dus minder effectief wordt. Als de motor te ver naar achteren staat komt er vaak water binnen via de hennegatskoker, vooral als men met de "losse boot" vaart, i.e. zonder sleep- of duwschip. De diepgang wordt dan bovendien nog groter.
Opduwers voeren meestal aan een snelheid van acht tot negen kilometer per uur. De toegelaten snelheid lag in sommige kanalen echter beduidend lager, waardoor de bootjes steeds bijgestuurd moesten worden. Als de opduwer gebruikt werd om te duwen voeren ze meestal onbemand. Ze werden bestuurd vanaf het moederschip met lijntjes of soms ook wel met een pikhaak.

En waar staan we nu?

Vele mensen voelen zich aangetrokken tot de kleine opduwertjes, en houden zich bezig met het restaureren en verder opknappen ervan. Gelukkig maar, want er zijn al teveel bootjes op de sloop terecht gekomen. En daar zijn ze eigenlijk veel te mooi voor. De interesse was de afgelopen jaren zo groot, dat er zelfs enkele opduwers nieuw werden gebouwd. Nog maar weinig opduwers worden nu gebruikt om te werken, meestal gebruiken hun eigenaars ze om wat te spelevaren, of als bijbootje.

Opduwers binnen Vereniging de MotorSleepboot (www.motorsleepboot.nl)

Op 28-02-03 telde deze vereniging volgende opduwers.
Aafke, Âld-man, Anna, Anna B, Antje, Arie, Arikok, Avanti, Babalan, Baf-Baf, Benjamin, Bertus, Bikkel, Bluff, Bolle Jantje, Bruzer, Buffel, Conjo, Cordi, Cornelia, Danny, De Beer, De Bereboot, De Stern, De Stroper, De Twaalf Termijnen, Dieuwertje, d'Ouwe, Douwe, Dolte, Dorus, Dorus, Driekus, Een goed geheim, Eerland ½, Elizabeth M., En Avant, Frederik, Furie, Geertje, Geja-B, Gerrit, Gloeikop, Greetje, Harmonie, Heavy, Hector, Hendrikje, Hercules, Ivonne, Jaapje, Jappe, Jumbo, Kahmo, Kleine Oma, Klorus, Kopstuk, Kwart, Laura B, Liberte Jr., Marinus, Nelus, Oldambt, Ome Ton, Opduvel, Opduwer, Opduwer Zonder Naam, Ouwe Bram, Pierelier, Prinses, Res Nova, Roetmop, Roy, Saenstroom Jr., Servio, Simson, Smokey, Snikkel, Solo, Stad Utreg, Stamper, Stern, Taeke, Tarzan, Themis, Thor, Tigris, Titan, 't Pronkje, Tempo, Trijn, Twins, Tyger, Vooruitgang, Walrus, Wammes, Zeehond, Z-schipper, Zwoeger

Opduwers van het jaar

Sinds 1993 reikt onze vereniging jaarlijks een prijs uit voor de sleepboot van het jaar en sinds 1996 ook voor de opduwer van het jaar. Hieronder vindt u de opduwers die deze prijs al mochten ontvangen.

1996 opd Benjamin
1997 opd Klorus
1998 opd Jumbo
1999 opd Ouwe Bram
2000 opd De Stroper
2001 opd Trijn
2002 opd Z-schipper
2003 opd Bollejantje


Bronnenindex

- Schepen die blijven, Landelijke Vereniging tot Behoud van het Historisch Bedrijfsvaartuig, 1999, Amsterdam
- Eeuwenlang varen tussen Gorcum en Vianen, Walter van Zijderveld, 2002, Bleskensgraaf (Uitgeverij Blassekijn)
- Spiegel der Zeilvaart (N°2, maart 2003), Het opduwertje, Jan Neef
- Strooptocht, Gerard Meijer, 2000, Maarssen
- http://www.opduwers.tk
- http://www.vaartips.nl/binnenvaart.htm
- http://www.machinekamer.nl
- http://www.motorsleepboot.nl

Greet Ramakers
Opd Greetje

(NVDR : opduwer van het jaar 2005!)

   Naar boven

Varend erfgoed in Vlaanderen !